1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld

worden; en met welke mate gij meet, zal u

wedergemeten worden.

3 En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders

is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij

niet?

4 Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat

ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk

in uw oog?

5 Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan

zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog

uit te doen.